2014.003 advies mitigatie vleermuizen Klaprozenweg Amsterdam-Noord

Het tracé van de Klaprozenweg in Amsterdam Noord zal in 2015 worden verbreed.
Hierbij worden twee keer twee rijstroken gerealiseerd, waarbij in beide richtingen één
rijstrook als busbaan wordt ingericht.
Tussen de Papaverweg en de Klimopweg grenst het tracé aan een
schooltuinencomplex. Op de overgang van de Klaprozenweg naar het
schooltuinencomplex bevindt zich een groenstrook (afbeelding 1). Deze groenstrook
bestaat uit zowel bomen als (hoogopgaande) struiken. De groenstrook ligt deels in
het tracé van de Klaprozenweg en deels op het terrein van het schooltuinencomplex.
Om de verbreding van de Klaprozenweg mogelijk te maken zal het merendeel van
struiken en bomen ter plaatse worden gekapt. Op een aantal locaties blijven houtige
gewassen gespaard en na de werkzaamheden wordt het geheel zodanig opgeleverd
dat er weer een volledige groenstrook ontstaat; door de herplant van bomen en
struiken zal de groenstrook op termijn een aaneengesloten geheel vormen en
daarmee weer geschikt zijn voor vleermuizen, met name gewone dwergvleermuis
(Pipistrellus pipistrellus). Deze herontwikkeling is essentieel omdat de huidige
groenstrook door gewone dwergvleermuizen als foerageergebied wordt gebruikt
(Natuurtoets 2011, Auke Brouwer, Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam). Gewone
dwergvleermuizen zijn wettelijk beschermd en dat geldt in het bijzonder voor de
foerageerplaatsen van deze soort. Van belang is dat er in de periode tot aan het
volledig herstel van de groenstrook passende mitigerende maatregelen worden
genomen. Dat is nodig omdat als gevolg van het kappen de beschutting en luwte
afneemt en daarmee ook het aanbod aan insecten. Ook is er een grotere kans op
verstorende effecten door toegenomen lichtuitstraling vanaf de Klaprozenweg. Het
risico bestaat dat de groenstrook en het daardoor beschutte gebied in de tussentijd
teveel (significant) van zijn kwaliteit als foerageergebied voor de gewone
dwergvleermuis verliest.
De gemeente Amsterdam wil daarom mitigerende maatregelen uitvoeren waardoor
de groenstrook na ontwikkeling van de herplant, maar ook in de tussenperiode in
voldoende mate geschikt zal zijn/blijven als foerageergebied voor de aanwezige
gewone dwergvleermuizen. Zij heeft het Bureau van de Zoogdiervereniging gevraagd
te adviseren over de hiertoe te nemen maatregelen.